Jules Welling

Schaakfanaat en journalist, dichter en schrijver.
(1949-2016)

Jules Welling werd op 21-12-1949 in Amersfoort geboren, groeide op in Amsterdam en woonde sinds 1973 tot aan zijn overlijden op 66-jarige leeftijd in 2016, grotendeels aan de Leemkuilen in Best. Hij was van 1981 tot 1994 met Josien Termeer getrouwd.
Jules was een zoon van de destijds landelijk bekende en vooraanstaande  journalist Albert Welling, die op 64-jarige leeftijd overleed. 

Albert Welling was hoofdredacteur van de toenmalige “Katholieke Illustratie” dat later overging in de “Nieuwe Revue”. De Katholieke Illustratie was zeker ten tijde van Het Rijke Roomse leven een voor de rooms-katholieken toonaangevend en vooraanstaand landelijk geïllustreerd weekblad. De moeder van Jules overleed al toen hij 14 jaar was.
In zijn jeugd verhuisde hij naar Brabant, en als leerling van het Augustinianum in Eindhoven volgde hij daar het gymnasium.
Jules heeft gedurende langere tijd de waardering van zijn vader voor zijn werk en prestaties  moeten ontberen. Nadat hij later enkele niet onbelangrijke prijzen op het gebied van poëzie had behaald, werden zijn kwaliteiten pas door zijn vader schoorvoetend erkend.

In dit artikel wordt verder ook ingegaan op zijn prominente aanwezigheid als lokale bekendheid, maar met name op zijn verschillende beroepsbezigheden die hem de nodige nationale maar ook internationale bekendheid hebben gebracht. 

Jules als lokale bekendheid
Jules Welling was een markant figuur in Best. Hij was voor veel mensen een bekend iemand, ondanks het feit dat hij zichzelf wel eens als een import-ingezetene heeft beschreven. Hij maakte in Best veel en gemakkelijk contact, en hij  tekende zijn bron aan ervaringen met Bestenaren op in zijn “Cursiefjes” waarbij de mensen meestal niet met naam en toenaam genoemd werden. Maar goed ingevoerde Bestenaren voelden aan over wie het dan ging. Deze cursiefjes werden gevoed door eigen waarnemingen bij zijn vele uitstapjes in de plaatselijke horeca. Echter na langere tijd begon menig Bestenaar in de persoonlijke contacten met hem wat terughoudender te worden, men vond dat zijn persoonlijke verhalen op zeker moment veel te herkenbaar werden. 
Deze “Cursiefjes” werden onder  noemers zoals  “Nou breekt mijn klomp”, “Huisje, boompje, feestje”, en “Betaal’s man “ samengebracht in verschillende boekjes,  die als broodjes over de toonbank werden verkocht. Bestenaren wilden kennelijk graag over zichzelf lezen, en in die behoefte werd door Welling ook voorzien. In een van zijn cursiefjes komen onder de titel “Speelheide” ook zijn vriendschappelijke betrekkingen met de voor ons goed bekende Loek en Mieke v.d. Hurk voor het voetlicht. Zo kwam hij van Loek veel over Best en zijn geschiedenis te weten, en leerde daardoor ook de  betekenis kennen van begrippen als “Tafelen”, “Best blek” en “Canidassen”. De lokale kennis en inzichten van Loek inspireerde hem ook bij het schrijven van het liedje “Best bouwt maar raak” waarin de gemeentelijke expansiedrift werd bezongen, maar ook het zeker destijds erg beperkte gevoel voor alles van wat historische waarde was. 
Zo heeft Loek hem ook uitgelegd dat de naamgeving van “Speelheide” op een groot misverstand heeft berust. De namen in deze wijk verwijzen allemaal naar kinderspelletjes, zoals bijvoorbeeld Zevensprong, Klabots en Klepperen. Het ging echter niet over spelletjes maar om “speul”. Dit hield in dat boeren vroeger mest en afval naar de plek (Speulhei) brachten die nu Speelheide heet. De ambtelijke naamgevers, zeer wel mogelijk geen Bestenaren, hebben dat gegeven verkeerd geïnterpreteerd. Dit verschijnsel wordt in de literatuur ook wel “hypercorrectie”genoemd. Vergelijkbaar met de gedachte dat “koei” ook fout is voor koe, en dat shag met vloe, toch echt shag met vloei is.
Goed om in een zijn boeken te lezen dat een vooraanstaand lid van Dye van Best zo’n invloedrijke rol heeft gespeeld bij de inburgering van Jules Welling in Best!

Jules was in de Bestse horeca een veelgezien man, maakte daarbij van alles mee, en ook korte tijd zelf kortstondig eigenaar van de Eldo Bar. Nadat hij uit de boedel van zijn overleden vader een aardig bedrag had geërfd kocht hij samen met een compagnon in een spontane bui de Eldo Bar en ging daar zelf ook boven wonen. Een combinatie die naar later bleek voor hem toch niet zo goed heeft uitgepakt. 
 In sommige kringen had hij vanwege zijn doorlopende aanwezigheid in de cafe’s de naam van “de Nachtburgemeester” gekregen. Waarbij hij gewoonlijk vanaf zijn kruk in de kroeg het reilen zeilen in de gaten hield, en daarover in zijn onnavolgbare intieme stijl rapporteerde, maar zichzelf daarbij ook niet ontzag.  Graag werd in dit verband de Sunny Bar van Harrie van Diesen bezocht, en na het verdwijnen van dit populaire café kreeg Café de Mulder van Rian den Otter zijn sterke voorkeur.
In tal van opzichten en situaties, en niet alleen in het uitgaansleven, had hij echter vaak de gewoonte zijn eigen rol groter te schetsen dan die werkelijk was.
Wel speelde hij destijds een grote rol door een belangrijke bijdrage te leveren bij het uitbrengen van een destijds bekende Carnavalshit “Tanke, tanke, tanke”, een lied dat een landelijke topper werd. Hij was bevriend met de landelijk bekende componist en arrangeur Harrie van Hoof die toen in de A.P. Nosseklaan woonde en tijdens een hun vele en gezamenlijke stapavonden werd dit lied  door Jules in een flits van tekst en titel voorzien. In een uitvoering door het Lowland Trio werd het een dijk van een hit. Met de eerste revenuen hiervan richtte hij zijn Leemkuilen-flat opnieuw in, gevolgd door een jaarlijkse welkome verzilvering van de hierop rustende  Buma-Stemra-rechten !

Gaandeweg in zijn leven zakte hij echter steeds een beetje verder uit zijn netwerken weg. Zijn gezondheid begon hem parten te spelen, dit gecombineerd met een levenswijze waarbij bier en sigaret een grote rol speelden. Zijn laatste jaren ging het zichtbaar slechter met hem, hij begon sterk te vermageren en het lopen ging niet meer zo best. Toen zijn levenseinde nabij kwam kreeg hij een herseninfarct, niet zijn eerste. Opgenomen in het ziekenhuis kon men er niet meer in slagen hem weer bij kennis te brengen, en overleed hij op 24 november 2016.

Jules als schaakfanaat en journalist
Doordat Jules al op 13-jarige leeftijd aan de hand van zijn vader meeging naar het Hoogovenstournooi en een jaar later ook met de persdienst van het Interzonetournooi in Amsterdam,  maakte hij als jongmens een snelle en voortvarende entree in de schaakwereld.
Het schaken werd hem met de paplepel ingegeven, en zijn journalistieke kwaliteiten heeft hij ongetwijfeld van zijn vader geërfd.
Op 20-jarige leeftijd, naast zijn gymnasium opleiding ook al met veel schaakkennis gewapend, kwam hij als algemeen journalist in dienst bij het Eindhovens Dagblad, onderdeel van de Brabant Pers. Al vrij snel kreeg Jules de schaakverslaggeving als bijzondere opdracht. Aan de schaaksport werd in de jaren 70 door de Nederlandse media veel aandacht besteed. Zijn bijdragen werden al snel overgenomen door de andere dagbladen van de Brabant Pers. In 1994 beëindigde hij na een arbeidsconflict zijn werk in zijn functie redacteur van de kabelkrant zijn werkzaamheden bij het Eindhovens Dagblad.
Maar zijn journalistieke actieradius reikte op dat moment al veel verder dan de regionale pers.
Hij werkte mee aan het Bondsblad en het Nederlandse tijdschrift Schaaknieuws. En internationale bladen als Die Schachwoche (Zwitserland) en Inside Chess (USA) ontdekten ook zijn kwaliteiten. Schaakbladen uit menig ander land gingen ook gebruik maken van zijn kennis.
Hij ontwikkelde hierdoor een groot nationaal en internationaal netwerk. Hij bezocht decennia lang talloze schaaktoernooien en alle Olympiades, schreef erover in schaakbladen en ontmoette in diverse landen vele grootmeesters over de hele wereld, die hem allen met de voornaam aanspraken.
Hij werd als schaakfanaat een vooraanstaand en bekend schaakjournalist en schaakboekenschrijver. Hij heeft meer dan 1000 publicaties op zijn naam staan, in week- en maandbladen, in binnen- en buitenland.
Jules kende de schaakwereld op zijn duimpje.
Vele schaak- en damboeken verschenen van zijn hand. De bekendste zijn wel :
“Ton Sijbrands dammer”
“Max Eeuwe, biografie van een wereldkampioen” (in samenwerking met Alexander Munninghof.
“Grootmeesterverhalen, 30 jaar topschaak”, waarin 106 grootmeesters worden beschreven, waarbij anekdotes centraal staan. En in elke anekdote komt de auteur zelf ook voor!
 
Alle facetten van het schaken spraken Jules aan. Hij had een reusachtige verzameling schaakboeken waarbij ook borden en de stukken in aantallen niet te verwaarlozen waren. 
In 2006 heeft Jules samen met Joost van Reij en Ton Timmerman vanwege het 15-jarig bestaan van het Accountantskantoor van Ton een tentoonstelling van een grote verzameling schaakspellen georganiseerd.
Navraag leert ons dat er in Best nog een schaakclub van zeer bescheiden omvang actief is, Eureka geheten. Momenteel bestaat de club uit 3 spelers, die elke dinsdag in de Sporthal spelen, echter sinds kort voegen zich daar ook met enige regelmaat enkele andere schakers bij. Jules is echter nooit lid geweest van Eureka, wel was hij een prominent lid van Schaakvereniging Eindhoven.

Jules was een echte encyclopedie wat betreft schaakspelers, toernooien, had een ongelooflijke kennis hierover, en hij kon hier ook veel en graag vergezeld van fraaie anekdotes over vertellen. 

Dichter en schrijver
Met zijn grote passie voor taal , was Jules sinds 1994 een zelfstandig en zeer productief auteur en dichter die ook internationale faam verwierf. 
Zijn veelzijdigheid als schrijver uitte zich op verschillende gebieden: hij schreef  Schaak- en Damboeken, Dichtbundels, Taalboeken, Korte Verhalen, Musicals en Toneelstukken.
Werken van hem werden vertaald in het Frans, Duits, Engels, Spaans, Zweeds, Servo-Kroatisch, Russisch, Malteesk, Hefriet (Israel) en Taglog (Filippijnen). 
Zijn bibliografie mag indrukwekkend genoemd worden.
Lang had hij de overtuiging dat een schrijver met pen en papier moest schrijven, of op een typemachine. Dit totdat hij op zijn 50e verjaardag in 1999, een computer met printer cadeau kreeg, internet kwam voor hem nog veel later. Bij voorkeur pleegde hij zijn schrijversactiviteiten in de nachtelijke uren.

Wellicht minder bekend is het feit dat hij ook een actieve belangstelling had voor de beeldende kunst. In samenwerking met beeldende kunstenaars opende hij op veel plaatsen in Nederland tentoonstellingen.

De Bibliografie van de Nederlandse Taal en Literatuur (BNTL) bevat Nederlandse, Vlaamse en buitenlandse titels van publicaties over Nederlandse taal- en letterkunde en buitenlandse titels uit de periode 1940-heden. De BNTL heeft maar liefst 24 werken van Jules Welling in haar bestanden opgenomen. De redactie van de BNTL bestaat uit een Nederlandse en Vlaamse afdeling . De Nederlandse afdeling is werkzaam aan het Huygens Instituut voor de Nederlandse Geschiedenis (kortweg Huygens ING) dat feitelijk een onderdeel is van Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). In de bestanden van BNTL wordt een kernlijst van wetenschappelijke secundaire literatuur over de Nederlandse Taal- en Letterkunde beheerd.

Als schrijver van vele schaakboeken en enkele tientallen dichtbundels schreef hij ook boekjes over taalcuriosa, korte verhalen, twee musicals, en een toneelstuk.
De door hem geschreven musicals “Jantje van boven de rivieren”en “Zand erover” werden in Best opgevoerd. 

Overigens liet Jules er zich graag op voorstaan dat hij deel uitmaakte van het wereldje van de grote schakers.
Daarnaast 3 boeken over de Eindhovense Schaakvereniging en vele toernooiboeken.
Sinds 1976 schreef hij in het clubblad van Eindhoven de rubriek “Het Buitengebeuren” over wat hij buiten de club meemaakte. Al die verhalen bundelde hij in een boek van maar liefst 645 pagina’s onder de titel “Kuifje onder de grootmeesters”. 
Ook de schaakjeugd genoot zijn aandacht, zZoals de kinderschaakboeken  “Dame aan zet” en “Mat”.

Mogelijk genoot hij buiten Best als dichter wel zijn grootste bekendheid . Er verschenen vele dichtbundels zoals “Pelgrim naar Bégur”. Enkele van zijn dichtbundels zijn ook in het Engels en in het Spaans vertaald.
Zijn eerste bundel “Taalcuriosa” “Vishandel Hein Graat” (1990) werd in Café Welling (!) in Amsterdam gepresenteerd. Dit in aanwezigheid van Drs. P (Hein Polzer) die hem daarbij uitbundig voor zijn prestatie prees.
Veel van zijn poëzie vond zijn weg naar verzamelbundels en poëziekalenders (Uitg. Meulenhof).
Auteur van  taalboeken waaronder “Heel Nederland Hapert”en de roman “De Homerianen”.

Resumé
Jules Welling had een passie voor taal. Als dichter en schrijver was hij zeer veelzijdig  en uitermate productief. Tot op de dag van vandaag vinden zijn pennenvruchten nog gretig aftrek.
Ook was hij zeer bekend via zijn journalistieke en redactionele werk aan kranten en diverse tijdschriften, in binnen- en buitenland.
Hij kende de schaakwereld op zijn duimpje, maar ook de nationale en internationale grootheden uit de schaakwereld kenden hem ook!
Jules ontmoette menig Bestenaar in het café, en de ervaringen die hij daar met hen opdeed tekende hij op in zo’n 500 verhalen uit,van en over Best en werden verzameld  in zijn uitermate populaire bundels “Cursiefjes”. 

Geraadpleegde bronnen:
Schrijver dezes heeft Jules Welling wel gekend, maar hem nimmer persoonlijk ontmoet noch gesproken. Daarom heb ik mij moeten baseren op verschillende bronnen zoals:
- Internet: 25 items
- Diverse berichten uit de pers
- Diverse door hem geschreven boeken en gedichten
- Gesprekken en correspondentie met enkele goede bekenden van hem.

Een aantal van zijn boeken zijn beschikbaar in de bibliotheek van Dye van Best

Bert van Eert
Werkgroep Kunst als erfgoed